Historie
Oorsprong van de Zesdaagse
Amsterdammers in de Amsterdamse zesdaagsen
In de tien zesdaagsen die in Amsterdam werden verreden - van 1932/1936, 1966/1969 en 2001 - hebben tientallen renners talloze kilometers afgelegd. Eerst op het snelle hout dat in de dertiger jaren in Oude RAI aan de Ferdinand Bolstraat werd opgebouwd. In de jaren '60 (een kilometer verder gelegen) in de Nieuwe RAI aan het Europaplein en in 2001 de herstart in het Velodrome Amsterdam.
Tientallen renners, waaronder ook Nederlanders. Sterker nog, renners uit de hoofdstad zelf of net daarbuiten. De Amsterdammers halen we weer voor het voetlicht.
De eerste
In de Oude RAI waren dat in 1932 Klaas van Nek en Jan van der Heijden. Van Nek was toen al 33 jaar, maar de oud-wegkampioen van 1926 kon nog goed mee komen. In het begin stond hij ‘mede aan de leiding’, maar moest later door een ernstige val (vorkbreuk) met verwondingen naar het ziekenhuis worden vervoerd. Einde verhaal. Met Piet van Kempen wint hij in het seizoen ‘25/’26 de Zesdaagse van Brussel (28 december 1925 tot en met 2 januari 1926).
Van der Heijden woonde ‘op Sloterdijk’ en had een aantal bijnamen. ‘De Witte’, ‘Witte Jan’ en ‘het Kanon van Sloterdijk’. Hij werd in 1927 wegkampioen van Nederland en in 1930 zelfs algemeen kampioen als prof. Ook op de schaats was Van der Heijden een kanjer. Na zijn wielerloopbaan begon hij op Sloterdijk een sigarenwinkel. Al snel werd hij door de toenmalige Nederlandsche Wieler Unie aangesteld om de amateurs te trainen.
De eerste Amsterdamse Zesdaagse reed hij met ene Van der Horst. Deze moest later opgeven en zo werd Jan van der Heijden gekoppeld aan de Italiaan Dinale. Het koppel eindigde voorlaatste op zes ronden. Piet van Kempen en Jan Pijnenburg wonnen die eerste Amsterdamse Six.
De tweede
Van der Heijden komt een jaar later (18 t/m 24 november 1933) niet aan de start. Wel Joop de Wolff. Deze talentvolle Amsterdammer reed toen met ene Adan. Het duo eindigde als laatste.
De derde
In de derde editie (2 tot en met 8 november 1934) reden De Wolff en Van der Heijden samen. Zij wisten op de vijfde plaats - met slechts twee ronden achterstand - in het spoor van de groten te blijven. Vóór renners als Pellenaars en Braspennix. Klaas Van Nek eindigde nu met Jan van Hout net voor het koppel Adan/De Wolff op een achtste plaats.
Een maand later, op 11 december, overleed De Wolff op 25-jarige leeftijd.
De vierde
In de vierde Amsterdamse Zesdaagse, verreden begin maart 1936, stonden geen Amsterdammers aan de start.
NWU verbiedt zesdaagsen in Nederland
De Zesdaagse van Rotterdam (19 t/m 25 februari 1937) bleek financieel gezien een enorme strop. Ook sportief gesproken was de zaak een flop en de NWU besloot - gezien de vele incidenten die plaatsvonden - geen toestemming te geven om in ons land nog zesdaagsen te organiseren. De toen heersende oorlogsdreiging en het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog waren overigens ook al reden om voorlopig geen vaderlandse zesdaagsen te organiseren.
Tót de jaren zestig. Ook toen stonden er weer Amsterdamse deelnemers aan de start. De hoofdstad kende toen zelfs een uitblinker in de zesdaagsen; Peter Post. Zijn wielerloopbaan was inmiddels tot grote hoogte gestegen. De wielerklassieker Parijs-Roubaix stond op zijn naam. De snelste tot nu toe (!) verreden.
Op de piste was Post in zijn eerste jaren door die andere fameuze Amsterdammer Gerrit Schulte getergd. Later reden ze samen, maar uiteindelijk koos Post toch zijn eigen weg. ‘De Lange’ ging dan ook ongenaakbaar naar de eretitel van Keizer van de Zesdaagsen.
De vijfde
De vijfde Amsterdamse Zesdaagse (12 t/m 18 december 1966) schreef Post met de Zwitser Fritz Pfenniger op zijn naam. De jonge Gerard Koel eindigde met de Limburger Harrie Stevens op de zevende plaats. Joop Capteijn sloot met de Fransman Raynal de rij. Joop Capteijn was een klasbak. Hij klopte op de weg en op de baan met een verbluffend gemak de beste sprinters. Hij reed in totaal zeven zesdaagsen.
De zesde
In de zesde Zesdaagse van Amsterdam (7 t/m 13 december 1967) moest Post - ook nu met Pfenniger - genoegen nemen met de derde stek. Gerard Koel reed met Jan Janssen. Zij eindigden op de vierde plaats. ‘Koeltje’ was inmiddels tot de gevestigde zesdaagsenorde gaan behoren. Met Janssen won hij in dat seizoen de Zesdaagse van Madrid en schreef hij in 1973 met Pijnen en Duijndam Antwerpen op zijn naam. Later was Koel tientallen jaren NOS-chauffeur in de Tour de France.
In 1967 ook het zesdaagsendebuut van Cor Schuuring. Hij werd na een succesvolle amateurcarrière in 1965 prof. Hij eindigde zijn debuut, met Gerard Vianen als maat, op de negende plaats. Het bleef Cor Schuuring bij dit debuut voor.
De zevende
De zevende Amsterdamse Zesdaagse (12 t/m 18 december 1968) moest Post - met Leo Duijndam - opnieuw de eer aan een ander koppel laten. Tourwinnaar Jan Janssen reed met de Duitser Klaus Bugdahl naar de zege. Gerard Koel trad aan met de Zaankanter Piet de Wit. Zij bezetten in de eindklassering de zesde plaats.
De achtste
De achtste Zesdaagse (december 1969) nam Post echter revanche en hij greep met de Belg Romain Deloof de eindzege. Koel en De Wit namen uiteindelijk de zesde plaats in. Wereldkampioen op de sprint Leijn Loeveseijn eindigt met Horst Oldenburg op de zesde plaats. De talentvolle Harrie Jansen reed met de Duitser Schulze naar de zevende plaats.
De negende
De hernieuwde Zesdaagse van Amsterdam start op 11 september 2001. Maar New York brandt en de wereld is geschokt. Toch wordt gestart en de negende Zesdaagse van Amsterdam blijkt na afloop een succes. Ondanks de doemdenkers die meldden Amsterdam ‘het allemaal niet heeft’.
Voor de organisatie, onder leiding van Frank Boelé, alle reden om in 2002 door te gaan. Dan in een gerenoveerd en verwarmd Velodrome. Een regelrecht gevolg van het succes in 2001. Ja, Amsterdam was wel in voor de Zesdaagse.
In 2002 stonden wereldtoppers uit buitenland, maar ook de duo's Slippens-Stam én Servais Knaven-Leon van Bon aan de start. Routiniers die ooit op de piste hun eerste successen behaalden. Ook de gebroeders Matthé en Jos Pronk maakten deel uit van het deelnemersveld en niet ten onrechte bleek later. In 2001 stonden er geen Amsterdammers aan het vertrek.
